Haast onzichtbaar zijn ze, de wandelende takken waar Jérôme Constant en Joachim Bresseel ’s nachts naar speuren. Toch slaagden ze erin om 150 nieuwe soorten te ontdekken in de Vietnamese jungle. Zo’n groot aantal soorten beschrijven is een hele klus, maar de twee biologen kregen hulp uit onverwachte hoek. Een klas uit Woluwé stuurde een brief met de vraag hoe je wandelende takken kweekt. Het bracht hen op het idee om drie klassen bij hun project te betrekken.

Wat moesten de kinderen precies doen?

Jérome Constant: 'De klas kreeg een eigen terrarium met een nieuwe soort wandelende tak om te observeren. Samen met Joachim ben ik vooraf in de klas gaan spreken om de kinderen warm te maken voor het project. We hebben hen zo weinig mogelijk instructies gegeven om te kijken met wat voor ideeën zij voor de dag kwamen. Met kinderlijk enthousiasme hebben ze de insecten uitvoerig bestudeerd en ons een hele hoop nieuwe informatie gegeven. Daarom kozen we ook voor klassen van het derde tot vijfde leerjaar, kinderen van het secundair zijn minder ontvankelijk voor zo’n dingen. Achteraf hebben we een bijeenkomst georganiseerd in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (bekend voor zijn dinomuseum) en de klassen een blik achter de schermen gegund. Elke klas presenteerde haar observaties aan de andere leerlingen. De kinderen mochten via een stemronde de nieuwe soortnaam kiezen.'

Wat is het voordeel van werken met kinderen?

'Kinderen zijn meer open minded dan volwassen wetenschappers. Bovendien hebben wij zelf de tijd niet om 150 nieuwe soorten in het lab te bestuderen. In een klas is er altijd wel een paar kinderoogjes op het terrarium gericht. En twintig kinderogen zien soms andere dingen dan de wetenschappers in het lab. Dankzij de nieuwsgierigheid en interesse van de kinderen is er data verzameld die er anders niet zou zijn. Nu weten we bijvoorbeeld hoeveel eitjes een vrouwelijke tak van deze soort gemiddeld legt en welke inheemse voedselplanten de dieren wel smaken. Een mooie aanvulling voor onze wetenschappelijke publicatie. Ook zien kinderen op deze manier hoe belangrijk inventarisatie is voor het behoud van de biodiversiteit. Educatief gezien hebben zij er enorm veel aan.'

Heb je ook nadelen ondervonden?

'Het hele project kostte enorm veel tijd. Voornamelijk het organiseren van de terugkomdag in het museum. Zelf in de klassen gaan spreken is ook tijdrovend, maar erg belangrijk om het belang van het onderzoek voldoende over te brengen. Educatieve video’s kunnen namelijk geen vragen beantwoorden. Het was een leerrijk project voor beide kampen, maar hetzelfde doen op grotere schaal is niet haalbaar, tenzij we met meer wetenschappers zijn. In de toekomst willen we wel hetzelfde project opzetten met Vietnamese klasjes.'

Wat maakt dit - een Citizen Science project - anders dan een klassieke wetenschappelijke studie?

'Citizen Science is eigenlijk een nieuw woord voor iets wat al langer bestaat. De eerste wetenschappers waren amateurs: burgers zonder moderne apparatuur. Amateurs en hobby-wetenschappers helpen ook al lang bij ons in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN). Het internet maakt het tegenwoordig makkelijk om een grote groep bij elkaar te krijgen en om als ‘leek’ bij te dragen aan de wetenschap. Zo werk ik samen met vrijwilligers in Maleisië, Cambodja en Thailand. Zij sturen me foto’s van gevonden dieren, met informatie over waar en wanneer het beeld gemaakt is. Dankzij deze vrijwilligers hebben we al verschillende nieuwe diersoorten ontdekt. Voor wetenschappers die veel data nodig hebben, kan zo’n samenwerking nuttig zijn.'

'Maar ook de vrijwilliger moet er iets aan hebben. Het is belangrijk dat het van twee kanten komt. Zelf stuur ik altijd een mail terug met welke soort er op hun foto staat en waarom de foto interessant is. Zo blijven ze gemotiveerd. Ook hou je zo'n project best kort. Na pakweg een half jaar haken mensen langzaamaan af. Je moet ten slotte ook rekening houden met wat je deelnemers aankunnen.'

Zal je in de toekomst nog samen aan projecten werken met niet-wetenschappers?

'We hebben een idee voor een nieuw project in het Leopoldspark in Brussel, naar het voorbeeld van Phenology Trails in de Verenigde Staten. In dit project observeren Amerikaanse burgers wanneer planten hun zaden of bloemen dragen. Hun bevindingen kunnen ze invullen op in een online Nature’s Notebook. Zo krijgen wetenschappers zicht op de klimaatverandering op lange termijn. In Brussel zouden we graag hetzelfde doen. Wie wil meedoen, krijgt een boekje met wat je precies kan observeren. Om echt van start te gaan, moeten we nog wetenschappers zoeken die het project mee willen opvolgen.'

'En ik denk aan anderen voor wie samenwerking met burgers ook interessant kan zijn. Ik ken wetenschappers aan de universiteit van Luik die met salamanders werken. Die kan je evengoed in de klas kweken. Of je kan de dieren volgen met camera’s en aan vrijwilligers vragen of ze de salamanders online willen observeren. Of je verdeelt de salamanders onder enkele gepassioneerde vrijwilligers, zoals wij met een aantal wandelende takken hebben gedaan. We hebben eitjes meegenomen uit Vietnam en die verdeeld onder enkele gemotiveerde mensen met een terrarium. Een van hen heeft een filmpje gemaakt van gedrag waarvan de kans erg klein is dat je het op expeditie live waarneemt. Ongelooflijk! Voor mij is dat op en top Citizen Science: Science made by Citizens.'

 

KBIN-communicatiemedewerker Reinout Verbeke vertelt over de voordelen van dit citizen science-project met kinderen.

Wie organiseert het?

Jérôme Constant is entomoloog aan het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN). Momenteel onderzoekt hij wandelende takken.