Dialecten zijn op hun retour. De dag waarop zelfs een rasechte West-Vlaming vergeten is dat ‘boterschijter’ ooit ‘vlinder’ betekende, hebben we gelukkig Miet Ooms nog. Met vragenlijsten peilt zij naar de verspreiding van dialectwoorden en maakt daar vervolgens kaarten van. Allemaal in haar vrije tijd.

Ik ontmoet taaldeskundige Miet Ooms in Hasselt, waar de inwoners volgens haar dialectkaart ‘bok’ zeggen tegen een glas bier. In mijn thuisstad heet dat een ‘glazen boterham’. Een straatje met kasseien leidt mij naar het jenevermuseum, een voormalige stokerij. Onze ontmoetingsplaats ademt geschiedenis; een geschikte plaats om te praten over dialecten en lang vervlogen woorden.
 
U doet vrijwillig onderzoek naar taalvariatie. Hoe bent u daarmee begonnen?
‘Ik werkte zeven jaar lang aan de KU Leuven, eerst aan het woordenboek van de Limburgse dialecten, daarna aan dat van de Brabantse. Daar leerde ik ook software gebruiken om dialectwoorden letterlijk in kaart te brengen. Na mijn onderzoek begon ik als vertaler. Geregeld was er vraag naar teksten die specifiek gericht zijn aan een Belgisch of een Nederlands publiek. Dat was vroeger anders, toen schreef je ‘gewoon in het Nederlands’. Bedrijven zijn niet bezig met taalpolitiek, maar ze willen natuurlijk wel hun doelgroep zo goed mogelijk aanspreken. Als vertaler kan je het best op de hoogte zijn van die verschillen. Er bestaan naslagwerken die Belgisch-Nederlands vertalen naar de algemeen-Nederlandse variant, maar die tonen de verspreiding van een woord binnen de grenzen niet. Dialecten en regiolecten blijven bovendien niet braaf binnen de landsgrenzen.’
 
Zijn de verschillen tussen Nederland en België zo groot?
‘Nu ja, groot. Verschillen zijn er altijd geweest – Belgen en Nederlanders wonen nu eenmaal in een ander land. Het contact binnen de landsgrenzen is groter dan dat erover. Zo vormt een taal zich: door onderlinge communicatie. Zeker sinds de jaren 1980, toen België een eigen commerciële televisiezender kreeg, is het contact met onze noorderburen afgenomen. We zijn minder goed op de hoogte van de Nederlandse woordenschat en zijn uitdrukkingen. Ook erkent de Taalunie sinds 2003 dat de Nederlandse standaardtaal niet alleen een norm heeft in het noorden, maar ook een tweede in België. In 2004 zijn daar nog Suriname en het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden (Aruba en de voormalige Nederlandse Antillen, red.) bijgekomen. Daarom spreken we nu van een pluricentrische standaardtaal. Vroeger dacht een Belg: als de Nederlanders dit niet zeggen, dan moet ik mijn taal aanpassen. Nu horen die woorden en uitdrukkingen bij het Belgisch-Nederlands. De Nederlanders zijn het nog niet gewoon dat er een Nederlands bestaat dat ze niet kennen. Als een Belg een onbekend woord tegenkomt, dan ‘zal het wel iets Nederlands zijn.’ Een Nederlander bestempelt onbekende woorden sneller als fout.’
 
Hoe zit het binnen de provincies?
‘Voor techniek of nieuwe media is de woordenschat veelal gelijk. Die termen overstijgen het lokale. Woorden voor streekgerechten of kinderspelletjes – huistuin-keukenwoordenschat – variëren wel sterk. De dialectgrens komt ook niet altijd overeen met de grens tussen Nederland en België. Ik stuurde een vragenlijst rond die peilde naar de term voor gefrituurde aardappelstaafjes. Uit die bevraging bleek de scheidingslijn voor ‘friet’ en ‘patat’ boven de grens van Noord-Brabant te liggen. Ook voor het woord ‘afstandsbediening’ deed ik rondvraag. Dat is een modern voorwerp, maar valt evengoed binnen die traditionele categorie huis-tuinkeuken. West- en Oost-Vlamingen noemen het een ‘bakje’, Limburgers en Antwerpenaren zeggen ‘kaske’. Dat is een handig weetje voor reclamemakers: in WestVlaanderen moet Telenet niet aankomen met ‘kaske’.’ ‘In de naslagwerken is de regio-aanduiding veel te ruw. Bovendien drukken veel onderzoekers de data over taalvariatie enkel uit in statistieken: ‘Zoveel procent zegt dit, zoveel procent zegt dat.’ Dat is vrij abstract. Daarom ben ik de variaties beginnen weergeven op kaarten; die begrijp je in een oogopslag.’
 
Al die bevragingen komen bovenop je vertaalwerk. Wordt het soms niet te veel?
‘Ik doe ze wanneer ik tijd heb. Veel vertaalwerk betekent minder vragenlijsten en kaarten. Dat geldt ook voor de nieuwsbrieven die ik opstel, al maak ik er wel tijd voor als ik wil inspelen op een actueel thema. Zo maakte ik een kaart over de uitspraakverschillen van het woord ‘cello’, naar aanleiding van de eerste Koningin Elizabethwedstrijd voor cello. Kaarten maken is een hobby. Net als het dialectarchief onder de aandacht brengen. Omdat het archief slechts deels gedigitaliseerd is, probeer ik het toch online wat bekendheid te geven. Het is een rijke bron van informatie, maar je moet dan wel weten dat het bestaat.’
 
Hoeveel van het dialectarchief kunnen we online al raadplegen? 
‘Ik schat de helft tot driekwart. Dat archief heeft nét de boot van de digitalisering gemist. Het Brabants woordenboek hebben we afgerond in 2005; het Limburgs in 2007. Onder andere die delen zijn gedigitaliseerd, maar een heleboel andere nog niet. Mijn droom is dat iemand het volledig digitaliseert, maar er is nog veel werk aan. Als het dialectarchief niet online verschijnt, wordt het vergeten. Dat zou ik jammer vinden, want je kan er interessant onderzoek mee doen. De variatie die onze taal vroeger had, vergelijken met die van vandaag, bijvoorbeeld.’ ‘De dialectkaart van de vlinder (zie afbeelding), gebaseerd op bevragingen tussen 1925 en 1985, toont tientallenbenamingen. Van ‘piepel’ over ‘zomervogel’ tot ‘pannevogel’. In het noorden van Antwerpen heette hij ‘flikketeer’. Mijn man komt uit die regio en heeft daar nog nooit van gehoord. Onlangs deed ik een nieuwe rondvraag, waarvan ik de resultaten nog moet verwerken. Die zullen aan het licht brengen hoeveel dialectwoorden voor vlinder nog in gebruik zijn. Zelf ken ik het woord piepel wel, maar gebruik het nauwelijks. Een mot noem ik wel eens ‘motpiepel’. Mijn kinderen gebruiken die woorden nooit.’
 
Waarom verdwijnen sommige dialectwoorden en andere niet?
‘Dat woordenschat voor oude voorwerpen en verdwenen ambachten eruit gaat, ligt voor de hand. Andere verdwijningen moeten we per provincie bestuderen. De uitersten, West-Vlaanderen en Limburg, zijn vrij dialectvast. Daar houden ze ook meer vast aan hun eigen identiteit. Het West-Vlaamse ‘stuutje’ (boterham, red.) is ook buiten West-Vlaanderen bekend, dat zal niet snel verdwijnen. Daar kennen ze de dialectwoorden voor vlinder misschien ook nog. Maar in Antwerpen en Vlaams-Brabant? Ik betwijfel het.’ ‘Wat mij nog meer interesseert, is het type dialectwoorden dat honkvast is. Ik vermoed dat kindertaal blijft hangen. Woorden voor spelletjes en speeltuigen – vocabulaire die je in een beperkte kring gebruikt en leert voor je in de grote wereld terechtkomt. Dingen waar je in bredere kring over praat, verdwijnen sneller.’
 
Omdat je op het werk niet praat over ‘den touter’?
‘Bijvoorbeeld. De kaart van de schommel wil ik opnieuw maken. Ik wed dat de benamingen voor schommel standvastiger zijn dan die voor de vlinder. Niet het minst omdat er minder vlinders rondvliegen dan vroeger. Ik heb geen goed oog op de benamingen voor kleine diertjes in het algemeen. Jammer, want in Oost- en West-Vlaanderen heb je daar schattige woorden voor. Het lieveheersbeestje heet daar ‘pimpampoentje’.’ ‘De evolutie van die woorden zou ik graag onderzoeken, maar aan de universiteit is daar geen budget voor. Ook wetenschappelijk onderzoek is aan trends onderhevig, en woordenschatanalyse doorheen de tijd is niet ‘in’. Dus doe ik het gewoon zelf. Ik vind het veel te leuk en interessant om te laten liggen. En het spreekt anderen aan: mijn kaarten maken veel reacties los. Als ik mijn kaart met verjaardagswensen in het dialect deel op Facebook, zijn er altijd anderen dan alleen de jarige die haar appreciëren. Aanvragen voor lezingen krijg ik ook regelmatig, en sinds begin oktober geef ik een reeks webinars over het Nederlands in België.’
 
Vinden al die mensen u via uw website?
‘Het is een sneeuwbaleffect. In het begin, twee jaar geleden, ging het moeizaam. Maar sinds mijn project op de website van Iedereen Wetenschapper staat, kreeg ik er honderd respondenten bij. Ik kwam een paar keer op de radio en merkte steeds dat het aantal respondenten toenam. Momenteel staat de teller op vijfhonderd. Het is belangrijk dat de respondenten goed genoeg verspreid zijn. Verder geldt: hoe meer, hoe beter!’  

Wie organiseert het?

Miet Ooms is freelance vertaler en auteur. Als vrijwillig wetenschappelijk medewerker aan de KU Leuven helpt ze het onderzoek naar de Nederlandse dialecten vooruit.