Het was aan het begin van de jaren 2000, werkend aan haar proefschrift over het gebruik, de gebruikers en het beheer van gemene gronden in Zandig Vlaanderen in de 18e en 19e eeuw, dat historica Tine de Moor voor het eerst in aanraking kwam met citizen science. Op zoek naar de geboortedata van ruim 400 mensen, en met in haar achterhoofd het idee dat ze hierdoor een halfjaar zou uitlopen met haar proefschrift, stuitte ze op een initiatief dat de parochieregisters uit heel Vlaanderen aan het digitaliseren was. Binnen twee weken had ze haar data compleet. Nu, bijna 15 jaar later, is één van Tine's eigen citizen science projecten, 'Ja, ik wil!', zo goed als afgerond, en staat er nog veel meer op dit gebied te gebeuren. Ik sprak met haar over de kern van een goed citizen science project en de opvallende relatie tussen de populariteit van citizen science en de opkomst van burgerinitiatieven.

 

Ja, ik wil!

Logo Ja, ik wil!

Het citizen science project 'Ja, ik wil!' is onderdeel van een groter onderzoek naar de invloed van veranderende huwelijkspatronen op het ontstaan van andere vormen van samenwerking vanaf de late middeleeuwen, zoals in de gilden. Voor dit onderzoek is informatie over het huwelijk van groot belang. Voor de vroegmoderne tijd en de middeleeuwen is deze informatie erg schaars, maar van de periode vanaf de late 16e eeuw zijn er gelukkig de zogenaamde ondertrouwaktes, die een schat aan informatie bevatten over Amsterdamse koppeltjes die het voornemen hadden om te trouwen. Om deze bijzonder rijke en voor ruim 250 jaar complete bron te kunnen gebruiken, moesten de gegevens echter eerst getranscribeerd woren, het liefst op een vooraf gestructureerde manier.

De rijkheid - bijna een miljoen huwelijken voor de gehele periode - van de bron maakte het een veel te omvangrijke opdracht om alleen of met een paar wetenschappers aan te pakken, dus werd de hulp van de Nederlandse burger ingeroepen. Via VeleHanden, een website waarop digitale historische indexeringsprojecten verzameld worden, werd deelnemers gevraagd om de verschillende velden van de ondertrouwaktes in te voeren. Om er zeker van te zijn dat de transcripties klopten, werd elke akte dubbel ingevoerd en werden beide versies met speciale software naast elkaar gelegd zodat een controleur zich over de verschillen kon buigen.

In nog geen twee jaar tijd zijn ruim 95.000 transcripties gemaakt: een enorm aantal, waar Tine dan ook blij verrast over was. Al helemaal omdat 'Ja, ik wil!' met afstand als het meest veeleisende project op VeleHanden gezien kan worden. Niet alleen kregen deelnemers een volledige handleiding om de 180 velden per akte correct in te kunnen vullen, ook waren de aktes van vóór 1750 voor iemand zonder paleografische kennis vrijwel onleesbaar. Om ook deze teksten gedigitaliseerd te krijgen werden speciale paleografiecursussen georganiseerd, voor zowel deelnemers als niet-deelnemers.

Wat Tine gedurende dit project vooral geleerd heeft, is dat mensen graag willen helpen en er niet veel meer dan kennis voor terugvragen. De organisatie van een aantal lezingen omtrent de ondertrouwaktes, de regelmatige publicatie van korte achtergrondstukjes op de projectsite en de kennis die mensen zelf opdeden door transcripties te maken, wekte voldoende motivatie bij de vrijwilligers om het project binnen de voorziene tijd tot een goed einde te brengen.

 

Do ut des

Lezing Tine de MoorWanneer ik vraag naar de kern van een goed citizen science project noemt Tine dan ook het principe van wederkerigheid. Do ut des; ik geef, opdat gij zult geven. Bij het opzetten van een citizen science project is het belangrijk om van tevoren goed na te denken over de communicatie- en "prikkel"structuur. Je moet de dialoog aangaan met de deelnemers - en dan gaat het niet alleen om praten, maar vooral ook om de uitwisseling van gedachten, ideeën en kennis. Bij 'Ja, ik wil!' kwam dit bijvoorbeeld tot stand door de eerder genoemde lezingen door bekende en minder bekende historici rond het thema huwen, waarin ze vaak ook gebruik maakten van de gegevens die door de deelnemers al verzameld waren. Het forum op VeleHanden bood deelnemers daarnaast de mogelijkheid om vragen te stellen aan de projectleiders, maar al vrij snel bleek dat ze elkaar zeer goed konden helpen.

Wederkerigheid is ook het principe waarin Tine een overeenkomst ziet tussen citizen science en de instituties voor collectieve actie die ze bestudeert, zoals het gemeenschappelijk beheer van grond, of de samenwerking tussen leden van coöperaties en waterschappen. Vaak wordt aangenomen dat de technologische ontwikkelingen de motor achter beide fenomenen is, maar Tine spreekt dit tegen. Het is inderdaad zo dat technologie citizen science een echte boost heeft gegeven, maar collectieven als zorg-, energie- of glasvezelcoöperaties komen voort uit de mondigheid van burgers en de bereidwilligheid om samen in elkaars behoeften te voorzien. Hoewel dus ontstaan vanuit een andere achtergrond, is het wel de wederkerigheid, de reciprociteit, die zowel citizen science projecten als burgercollectieven gaande houdt. Citizen science projecten varen op deelname in ruil voor kennis, en instituties voor collectieve actie zijn langdurige samenwerkingsverbanden waar mensen hun tijd en/of geld in steken om op lange termijn een gemeenschappelijk doel te bereiken. Er wordt hier een eenmalige investering gedaan, waar iedereen die iets bijdraagt op termijn weer iets voor terugkrijgt.

Naast wederkerigheid, is het geven van een gestructureerde opdracht een ander belangrijk aspect van citizen science. Bij 'Ja, ik wil!' was dit eenvoudig, omdat de ondertrouwaktes er allemaal vrijwel hetzelfde uitzagen en de invulvelden dus ook hetzelfde bleven. Niet alle onderzoeken zijn echter geschikt om burgers bij te betrekken. Wanneer het te ingewikkeld wordt zullen mensen afhaken of foutieve informatie doorgeven. Als onderzoeker is het dan ook belangrijk om de juiste opdrachten voor burgers samen te stellen en ze ook op een voor hen haalbare manier aan te bieden. Citizen science kan namelijk wel degelijk van grote toegevoegde waarde zijn.

Bij een wetenschappelijk onderzoek, onafhankelijk van het feit of het met of zonder citizen science gerealiseerd is, heeft uiteindelijk meestal iedereen wel baat. Het is echter citizen science dat er heel vaak voor kan zorgen dat burgers zich bij de eindresultaten betrokken voelen en dat er een vertaling van wetenschappelijk onderzoek naar beleid gemaakt wordt - denk bijvoorbeeld aan burgers die fijn stof gaan meten of die hun eigen geluk in kaart brengen.

 

Een blik op de toekomst

Tine ziet de toekomst van citizen science rooskleurig in, en pleit ervoor om burgers vooral niet te onderschatten. Door burgers in te zetten voor de wetenschap ontstaan er unieke mogelijkheden om te doen wat anders waarschijnlijk nooit zou lukken, mede omdat de budgetten voor een dataverzameling van dergelijke omvang vaak niet beschikbaar zijn voor wetenschappers, en al helemaal niet binnen de geesteswetenschappen. Het transcriberen en invoeren van historische bronnen is erg arbeidsintensief werk dat in het geval van 'Ja, ik wil!' met betaalde arbeidskrachten wellicht rond een half miljoen euro had gekost, zo rekenen we ter plekke uit. Dankzij de inzet van de vrijwilligers kon hetzelfde resultaat bereikt worden met iets minder dan een vijfde van dat bedrag.

Als de universitaire beleidsmakers zouden erkennen dat citizen science een goede vorm van wetenschapsvalorisatie is - het benutten van wetenschappelijke kennis in de praktijk -, zouden wellicht meer wetenschappers uit hun ivoren toren komen om de samenwerking met burgers aan te gaan, aldus Tine. Ja, de ivoren toren wetenschapper bestaat zeker nog, beaamt de historica, maar deze is zo gemaakt door de huidige universiteitscultuur. Valorisatie wordt hierin wel gewaardeerd, maar vooral geïnterpreteerd als het samen met het bedrijfsleven uitvoeren van onderzoek of het veelvuldig in de pers optreden als wetenschapper. Samenwerking met burgers is hier vooralsnog niet in beeld.

Tegenwoordig wordt van wetenschappers verwacht dat ze een soort homo universalis zijn: ze moeten goed doceren; excellent onderzoek opzetten, uitvoeren en coördineren; grote onderzoeksbudgetten binnenslepen; hun eigen financiële plan opstellen; een team aansturen; grote en kleine events organiseren; mediageniek zijn en daarnaast uiteraard ook nog eens aan de lopende band peer-reviewed artikelen produceren. Heel veel ruimte voor een dialoog met de burger blijft er gewoonweg niet over.

De ivoren toren wetenschapper is gecultiveerd door dit systeem en onderschat de samenleving vanuit zijn (of haar) afgezonderde positie, terwijl we in feite een hoog opgeleide maatschappij hebben met burgers die maar al te graag willen helpen. Met de huidige beleidscultuur zijn we er dus nog lang niet, maar, zo zegt Tine zonder twijfel, er is zeker weten een toekomst voor citizen science.

Tine de Moor is hoogleraar sociale en economische geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en richt zich in haar onderzoek op instituties voor collectieve actie. Op 16 juni organiseert ze in samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) een symposium over citizen science. Deelname is gratis, maar aanmelden wel noodzakelijk.

 

Dit artikel is geschreven door Susanne van der Kraan, stagiaire bij Eos Wetenschap voor Iedereen Wetenschapper en masterstudente Cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht.

 

Wie organiseert het?

Tine De Moor is hoogleraar Instituties voor Collectieve Actie in historisch perspectief aan de Universiteit van Utrecht.